2 verschillende werkwoorden « zinnen »:
zinnen — to contemplate, to plot · zinnen — to satisfy, to please
to contemplate, to plot
Tegenwoordige tijd (ik)zin
Verleden tijd (ik)zon
Voltooid deelwoordgezonnen
Volledige vervoeging van het werkwoord zinnen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik zin
jij zint (inversie: zin jij)
u zint
hij/zij/het zint
wij zinnen
jullie zinnen
zij zinnen
Verleden tijd
ik zon
jij zon
u zon
hij/zij/het zon
wij zonnen
jullie zonnen
zij zonnen
Gebiedende wijs
Imperatief
zin
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
zinnen
Gerundium
zinnen
Onvoltooid deelwoord
zinnend
Voltooid deelwoord
gezonnen
to satisfy, to please
Tegenwoordige tijd (ik)zin
Verleden tijd (ik)zinde
Voltooid deelwoordgezind
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik zin
jij zint (inversie: zin jij)
u zint
hij/zij/het zint
wij zinnen
jullie zinnen
zij zinnen
Verleden tijd
ik zinde
jij zinde
u zinde
hij/zij/het zinde
wij zinden
jullie zinden
zij zinden
Gebiedende wijs
Imperatief
zin
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
zinnen
Gerundium
zinnen
Onvoltooid deelwoord
zinnend
Voltooid deelwoord
gezind
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.