Vervoeging van zegelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

zegelen
to affix a seal or stamp
weak
Tegenwoordige tijd (ik)zegel
Verleden tijd (ik)zegelde
Voltooid deelwoordgezegeld
Volledige vervoeging van het werkwoord zegelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik zegel
jij zegelt (inversie: zegel jij)
u zegelt
hij/zij/het zegelt
wij zegelen
jullie zegelen
zij zegelen

Verleden tijd

ik zegelde
jij zegelde
u zegelde
hij/zij/het zegelde
wij zegelden
jullie zegelden
zij zegelden

Gebiedende wijs

Imperatief

zegel

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

zegelen

Gerundium

zegelen

Onvoltooid deelwoord

zegelend

Voltooid deelwoord

gezegeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.