to become absent, disappear
Tegenwoordige tijd (ik)val weg
Verleden tijd (ik)viel weg
Voltooid deelwoordweggevallen
Volledige vervoeging van het werkwoord wegvallen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik val weg
jij valt weg (inversie: val weg jij)
u valt weg
hij/zij/het valt weg
wij vallen weg
jullie vallen weg
zij vallen weg
Verleden tijd
ik viel weg
jij viel weg
u viel weg
hij/zij/het viel weg
wij vielen weg
jullie vielen weg
zij vielen weg
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik wegval
(dat) jij wegvalt
(dat) u wegvalt
(dat) hij/zij/het wegvalt
(dat) wij wegvallen
(dat) jullie wegvallen
(dat) zij wegvallen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik wegviel
(dat) jij wegviel
(dat) u wegviel
(dat) hij/zij/het wegviel
(dat) wij wegvielen
(dat) jullie wegvielen
(dat) zij wegvielen
Gebiedende wijs
Imperatief
val weg
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
wegvallen
Gerundium
wegvallen
Onvoltooid deelwoord
wegvallend
Voltooid deelwoord
weggevallen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.