to go away, to leave
Tegenwoordige tijd (ik)ga weg
Verleden tijd (ik)ging weg
Voltooid deelwoordweggegaan
Volledige vervoeging van het werkwoord weggaan: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik ga weg
jij gaat weg (inversie: ga weg jij)
u gaat weg
hij/zij/het gaat weg
wij gaan weg
jullie gaan weg
zij gaan weg
Verleden tijd
ik ging weg
jij ging weg
u ging weg
hij/zij/het ging weg
wij gingen weg
jullie gingen weg
zij gingen weg
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik wegga
(dat) jij weggaat
(dat) u weggaat
(dat) hij/zij/het weggaat
(dat) wij weggaan
(dat) jullie weggaan
(dat) zij weggaan
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik wegging
(dat) jij wegging
(dat) u wegging
(dat) hij/zij/het wegging
(dat) wij weggingen
(dat) jullie weggingen
(dat) zij weggingen
Gebiedende wijs
Imperatief
ga weg
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
weggaan
Gerundium
weggaan
Onvoltooid deelwoord
weggaand
Voltooid deelwoord
weggegaan
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.