to stroll, be on a walk (‘to go for a walk’ = ‘gaan wandelen’)
Tegenwoordige tijd (ik)wandel
Verleden tijd (ik)wandelde
Voltooid deelwoordgewandeld
Volledige vervoeging van het werkwoord wandelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik wandel
jij wandelt (inversie: wandel jij)
u wandelt
hij/zij/het wandelt
wij wandelen
jullie wandelen
zij wandelen
Verleden tijd
ik wandelde
jij wandelde
u wandelde
hij/zij/het wandelde
wij wandelden
jullie wandelden
zij wandelden
Gebiedende wijs
Imperatief
wandel
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
wandelen
Gerundium
wandelen
Onvoltooid deelwoord
wandelend
Voltooid deelwoord
gewandeld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.