Vervoeging van vrijpleiten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

vrijpleiten
to exonerate, free from guilt through pleading
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)pleit vrij
Verleden tijd (ik)pleitte vrij
Voltooid deelwoordvrijgepleit
Volledige vervoeging van het werkwoord vrijpleiten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik pleit vrij
jij pleit vrij
u pleit vrij
hij/zij/het pleit vrij
wij pleiten vrij
jullie pleiten vrij
zij pleiten vrij

Verleden tijd

ik pleitte vrij
jij pleitte vrij
u pleitte vrij
hij/zij/het pleitte vrij
wij pleitten vrij
jullie pleitten vrij
zij pleitten vrij

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik vrijpleit
(dat) jij vrijpleit
(dat) u vrijpleit
(dat) hij/zij/het vrijpleit
(dat) wij vrijpleiten
(dat) jullie vrijpleiten
(dat) zij vrijpleiten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik vrijpleitte
(dat) jij vrijpleitte
(dat) u vrijpleitte
(dat) hij/zij/het vrijpleitte
(dat) wij vrijpleitten
(dat) jullie vrijpleitten
(dat) zij vrijpleitten

Gebiedende wijs

Imperatief

pleit vrij

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

vrijpleiten

Gerundium

vrijpleiten

Onvoltooid deelwoord

vrijpleitend

Voltooid deelwoord

vrijgepleit

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.