to preside, to lead a gathering
Tegenwoordige tijd (ik)zit voor
Verleden tijd (ik)zat voor
Voltooid deelwoordvoorgezeten
Volledige vervoeging van het werkwoord voorzitten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik zit voor
jij zit voor
u zit voor
hij/zij/het zit voor
wij zitten voor
jullie zitten voor
zij zitten voor
Verleden tijd
ik zat voor
jij zat voor
u zat voor
hij/zij/het zat voor
wij zaten voor
jullie zaten voor
zij zaten voor
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik voorzit
(dat) jij voorzit
(dat) u voorzit
(dat) hij/zij/het voorzit
(dat) wij voorzitten
(dat) jullie voorzitten
(dat) zij voorzitten
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik voorzat
(dat) jij voorzat
(dat) u voorzat
(dat) hij/zij/het voorzat
(dat) wij voorzaten
(dat) jullie voorzaten
(dat) zij voorzaten
Gebiedende wijs
Imperatief
zit voor
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
voorzitten
Gerundium
voorzitten
Onvoltooid deelwoord
voorzittend
Voltooid deelwoord
voorgezeten
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.