Vervoeging van voorzeggen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

2 verschillende werkwoorden « voorzeggen »: voorzeggen — to say in advance/beforehand; · voorzeggen — to predict, foretell, forespell
voorzeggen
to say in advance/beforehand;
irregular separable weak
scheidbaar
onregelmatig
Tegenwoordige tijd (ik)zeg voor
Verleden tijd (ik)zei voor / zegde voor
Voltooid deelwoordvoorgezegd
Volledige vervoeging van het werkwoord voorzeggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik zeg voor
jij zegt voor (inversie: zeg voor jij)
u zegt voor
hij/zij/het zegt voor
wij zeggen voor
jullie zeggen voor
zij zeggen voor

Verleden tijd

ik zei voor / zegde voor
jij zei voor (inversie: zegde voor jij)
u zei voor / zegde voor
hij/zij/het zei voor / zegde voor
wij zeiden voor / zegden voor
jullie zeiden voor / zegden voor
zij zeiden voor / zegden voor

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik voorzeg
(dat) jij voorzegt
(dat) u voorzegt
(dat) hij/zij/het voorzegt
(dat) wij voorzeggen
(dat) jullie voorzeggen
(dat) zij voorzeggen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik voorzei / voorzegde
(dat) jij voorzei / voorzegde
(dat) u voorzei / voorzegde
(dat) hij/zij/het voorzei / voorzegde
(dat) wij voorzeiden / voorzegden
(dat) jullie voorzeiden / voorzegden
(dat) zij voorzeiden / voorzegden

Gebiedende wijs

Imperatief

zeg voor

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

voorzeggen

Gerundium

voorzeggen

Onvoltooid deelwoord

voorzeggend

Voltooid deelwoord

voorgezegd
voorzeggen
to predict, foretell, forespell
irregular weak
onregelmatig
Tegenwoordige tijd (ik)voorzeg
Verleden tijd (ik)voorzei / voorzegde
Voltooid deelwoordvoorzegd

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik voorzeg
jij voorzegt (inversie: voorzeg jij)
u voorzegt
hij/zij/het voorzegt
wij voorzeggen
jullie voorzeggen
zij voorzeggen

Verleden tijd

ik voorzei / voorzegde
jij voorzei (inversie: voorzegde jij)
u voorzei / voorzegde
hij/zij/het voorzei / voorzegde
wij voorzeiden / voorzegden
jullie voorzeiden / voorzegden
zij voorzeiden / voorzegden

Gebiedende wijs

Imperatief

voorzeg

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

voorzeggen

Gerundium

voorzeggen

Onvoltooid deelwoord

voorzeggend

Voltooid deelwoord

voorzegd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.