to predict, foresee, foretell, forespell
Tegenwoordige tijd (ik)voorspel
Verleden tijd (ik)voorspelde
Voltooid deelwoordvoorspeld
Volledige vervoeging van het werkwoord voorspellen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik voorspel
jij voorspelt (inversie: voorspel jij)
u voorspelt
hij/zij/het voorspelt
wij voorspellen
jullie voorspellen
zij voorspellen
Verleden tijd
ik voorspelde
jij voorspelde
u voorspelde
hij/zij/het voorspelde
wij voorspelden
jullie voorspelden
zij voorspelden
Gebiedende wijs
Imperatief
voorspel
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
voorspellen
Gerundium
voorspellen
Onvoltooid deelwoord
voorspellend
Voltooid deelwoord
voorspeld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.