to postulate, to presuppose
Tegenwoordige tijd (ik)stel voorop
Verleden tijd (ik)stelde voorop
Voltooid deelwoordvooropgesteld
Volledige vervoeging van het werkwoord vooropstellen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik stel voorop
jij stelt voorop (inversie: stel voorop jij)
u stelt voorop
hij/zij/het stelt voorop
wij stellen voorop
jullie stellen voorop
zij stellen voorop
Verleden tijd
ik stelde voorop
jij stelde voorop
u stelde voorop
hij/zij/het stelde voorop
wij stelden voorop
jullie stelden voorop
zij stelden voorop
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik vooropstel
(dat) jij vooropstelt
(dat) u vooropstelt
(dat) hij/zij/het vooropstelt
(dat) wij vooropstellen
(dat) jullie vooropstellen
(dat) zij vooropstellen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik vooropstelde
(dat) jij vooropstelde
(dat) u vooropstelde
(dat) hij/zij/het vooropstelde
(dat) wij vooropstelden
(dat) jullie vooropstelden
(dat) zij vooropstelden
Gebiedende wijs
Imperatief
stel voorop
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
vooropstellen
Gerundium
vooropstellen
Onvoltooid deelwoord
vooropstellend
Voltooid deelwoord
vooropgesteld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.