2 verschillende werkwoorden « voorlopen »:
voorlopen — to walk ahead of someone else · voorlopen — to walk ahead of someone else
to walk ahead of someone else
Tegenwoordige tijd (ik)loop voor
Verleden tijd (ik)liep voor
Voltooid deelwoordvoorgelopen
Volledige vervoeging van het werkwoord voorlopen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik loop voor
jij loopt voor (inversie: loop voor jij)
u loopt voor
hij/zij/het loopt voor
wij lopen voor
jullie lopen voor
zij lopen voor
Verleden tijd
ik liep voor
jij liep voor
u liep voor
hij/zij/het liep voor
wij liepen voor
jullie liepen voor
zij liepen voor
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik voorloop
(dat) jij voorloopt
(dat) u voorloopt
(dat) hij/zij/het voorloopt
(dat) wij voorlopen
(dat) jullie voorlopen
(dat) zij voorlopen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik voorliep
(dat) jij voorliep
(dat) u voorliep
(dat) hij/zij/het voorliep
(dat) wij voorliepen
(dat) jullie voorliepen
(dat) zij voorliepen
Gebiedende wijs
Imperatief
loop voor
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
voorlopen
Gerundium
voorlopen
Onvoltooid deelwoord
voorlopend
Voltooid deelwoord
voorgelopen
to walk ahead of someone else
Tegenwoordige tijd (ik)voorloop
Verleden tijd (ik)voorliep
Voltooid deelwoordvoorlopen
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik voorloop
jij voorloopt (inversie: voorloop jij)
u voorloopt
hij/zij/het voorloopt
wij voorlopen
jullie voorlopen
zij voorlopen
Verleden tijd
ik voorliep
jij voorliep
u voorliep
hij/zij/het voorliep
wij voorliepen
jullie voorliepen
zij voorliepen
Gebiedende wijs
Imperatief
voorloop
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
voorlopen
Gerundium
voorlopen
Onvoltooid deelwoord
voorlopend
Voltooid deelwoord
voorlopen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.