to hang in front in order to cover what's behind (such as a priest's robe)
Tegenwoordige tijd (ik)hang voor
Verleden tijd (ik)hing voor
Voltooid deelwoordvoorgehangen
Volledige vervoeging van het werkwoord voorhangen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik hang voor
jij hangt voor (inversie: hang voor jij)
u hangt voor
hij/zij/het hangt voor
wij hangen voor
jullie hangen voor
zij hangen voor
Verleden tijd
ik hing voor
jij hing voor
u hing voor
hij/zij/het hing voor
wij hingen voor
jullie hingen voor
zij hingen voor
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik voorhang
(dat) jij voorhangt
(dat) u voorhangt
(dat) hij/zij/het voorhangt
(dat) wij voorhangen
(dat) jullie voorhangen
(dat) zij voorhangen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik voorhing
(dat) jij voorhing
(dat) u voorhing
(dat) hij/zij/het voorhing
(dat) wij voorhingen
(dat) jullie voorhingen
(dat) zij voorhingen
Gebiedende wijs
Imperatief
hang voor
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
voorhangen
Gerundium
voorhangen
Onvoltooid deelwoord
voorhangend
Voltooid deelwoord
voorgehangen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.