Vervoeging van voorgeven

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

voorgeven
to feign, to pretend
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)geef voor
Verleden tijd (ik)gaf voor
Voltooid deelwoordvoorgegeven
Volledige vervoeging van het werkwoord voorgeven: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik geef voor
jij geeft voor (inversie: geef voor jij)
u geeft voor
hij/zij/het geeft voor
wij geven voor
jullie geven voor
zij geven voor

Verleden tijd

ik gaf voor
jij gaf voor
u gaf voor
hij/zij/het gaf voor
wij gaven voor
jullie gaven voor
zij gaven voor

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik voorgeef
(dat) jij voorgeeft
(dat) u voorgeeft
(dat) hij/zij/het voorgeeft
(dat) wij voorgeven
(dat) jullie voorgeven
(dat) zij voorgeven

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik voorgaf
(dat) jij voorgaf
(dat) u voorgaf
(dat) hij/zij/het voorgaf
(dat) wij voorgaven
(dat) jullie voorgaven
(dat) zij voorgaven

Gebiedende wijs

Imperatief

geef voor

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

voorgeven

Gerundium

voorgeven

Onvoltooid deelwoord

voorgevend

Voltooid deelwoord

voorgegeven

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.