2 verschillende werkwoorden « volmaken »:
volmaken — to fill, to make full · volmaken — to complete
to fill, to make full
Tegenwoordige tijd (ik)maak vol
Verleden tijd (ik)maakte vol
Voltooid deelwoordvolgemaakt
Volledige vervoeging van het werkwoord volmaken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik maak vol
jij maakt vol (inversie: maak vol jij)
u maakt vol
hij/zij/het maakt vol
wij maken vol
jullie maken vol
zij maken vol
Verleden tijd
ik maakte vol
jij maakte vol
u maakte vol
hij/zij/het maakte vol
wij maakten vol
jullie maakten vol
zij maakten vol
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik volmaak
(dat) jij volmaakt
(dat) u volmaakt
(dat) hij/zij/het volmaakt
(dat) wij volmaken
(dat) jullie volmaken
(dat) zij volmaken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik volmaakte
(dat) jij volmaakte
(dat) u volmaakte
(dat) hij/zij/het volmaakte
(dat) wij volmaakten
(dat) jullie volmaakten
(dat) zij volmaakten
Gebiedende wijs
Imperatief
maak vol
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
volmaken
Gerundium
volmaken
Onvoltooid deelwoord
volmakend
Voltooid deelwoord
volgemaakt
to complete
Tegenwoordige tijd (ik)volmaak
Verleden tijd (ik)volmaakte
Voltooid deelwoordvolmaakt
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik volmaak
jij volmaakt (inversie: volmaak jij)
u volmaakt
hij/zij/het volmaakt
wij volmaken
jullie volmaken
zij volmaken
Verleden tijd
ik volmaakte
jij volmaakte
u volmaakte
hij/zij/het volmaakte
wij volmaakten
jullie volmaakten
zij volmaakten
Gebiedende wijs
Imperatief
volmaak
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
volmaken
Gerundium
volmaken
Onvoltooid deelwoord
volmakend
Voltooid deelwoord
volmaakt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.