to determine, to ascertain
Tegenwoordige tijd (ik)stel vast
Verleden tijd (ik)stelde vast
Voltooid deelwoordvastgesteld
Volledige vervoeging van het werkwoord vaststellen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik stel vast
jij stelt vast (inversie: stel vast jij)
u stelt vast
hij/zij/het stelt vast
wij stellen vast
jullie stellen vast
zij stellen vast
Verleden tijd
ik stelde vast
jij stelde vast
u stelde vast
hij/zij/het stelde vast
wij stelden vast
jullie stelden vast
zij stelden vast
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik vaststel
(dat) jij vaststelt
(dat) u vaststelt
(dat) hij/zij/het vaststelt
(dat) wij vaststellen
(dat) jullie vaststellen
(dat) zij vaststellen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik vaststelde
(dat) jij vaststelde
(dat) u vaststelde
(dat) hij/zij/het vaststelde
(dat) wij vaststelden
(dat) jullie vaststelden
(dat) zij vaststelden
Gebiedende wijs
Imperatief
stel vast
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
vaststellen
Gerundium
vaststellen
Onvoltooid deelwoord
vaststellend
Voltooid deelwoord
vastgesteld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.