Vervoeging van vaststellen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

vaststellen
to determine, to ascertain
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)stel vast
Verleden tijd (ik)stelde vast
Voltooid deelwoordvastgesteld
Volledige vervoeging van het werkwoord vaststellen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik stel vast
jij stelt vast (inversie: stel vast jij)
u stelt vast
hij/zij/het stelt vast
wij stellen vast
jullie stellen vast
zij stellen vast

Verleden tijd

ik stelde vast
jij stelde vast
u stelde vast
hij/zij/het stelde vast
wij stelden vast
jullie stelden vast
zij stelden vast

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik vaststel
(dat) jij vaststelt
(dat) u vaststelt
(dat) hij/zij/het vaststelt
(dat) wij vaststellen
(dat) jullie vaststellen
(dat) zij vaststellen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik vaststelde
(dat) jij vaststelde
(dat) u vaststelde
(dat) hij/zij/het vaststelde
(dat) wij vaststelden
(dat) jullie vaststelden
(dat) zij vaststelden

Gebiedende wijs

Imperatief

stel vast

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

vaststellen

Gerundium

vaststellen

Onvoltooid deelwoord

vaststellend

Voltooid deelwoord

vastgesteld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.