Vervoeging van vastplakken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

vastplakken
to be stuck onto something, to stick
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)plak vast
Verleden tijd (ik)plakte vast
Voltooid deelwoordvastgeplakt
Volledige vervoeging van het werkwoord vastplakken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik plak vast
jij plakt vast (inversie: plak vast jij)
u plakt vast
hij/zij/het plakt vast
wij plakken vast
jullie plakken vast
zij plakken vast

Verleden tijd

ik plakte vast
jij plakte vast
u plakte vast
hij/zij/het plakte vast
wij plakten vast
jullie plakten vast
zij plakten vast

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik vastplak
(dat) jij vastplakt
(dat) u vastplakt
(dat) hij/zij/het vastplakt
(dat) wij vastplakken
(dat) jullie vastplakken
(dat) zij vastplakken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik vastplakte
(dat) jij vastplakte
(dat) u vastplakte
(dat) hij/zij/het vastplakte
(dat) wij vastplakten
(dat) jullie vastplakten
(dat) zij vastplakten

Gebiedende wijs

Imperatief

plak vast

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

vastplakken

Gerundium

vastplakken

Onvoltooid deelwoord

vastplakkend

Voltooid deelwoord

vastgeplakt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.