Vervoeging van vastpakken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

vastpakken
to catch, to hold
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)pak vast
Verleden tijd (ik)pakte vast
Voltooid deelwoordvastgepakt
Volledige vervoeging van het werkwoord vastpakken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik pak vast
jij pakt vast (inversie: pak vast jij)
u pakt vast
hij/zij/het pakt vast
wij pakken vast
jullie pakken vast
zij pakken vast

Verleden tijd

ik pakte vast
jij pakte vast
u pakte vast
hij/zij/het pakte vast
wij pakten vast
jullie pakten vast
zij pakten vast

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik vastpak
(dat) jij vastpakt
(dat) u vastpakt
(dat) hij/zij/het vastpakt
(dat) wij vastpakken
(dat) jullie vastpakken
(dat) zij vastpakken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik vastpakte
(dat) jij vastpakte
(dat) u vastpakte
(dat) hij/zij/het vastpakte
(dat) wij vastpakten
(dat) jullie vastpakten
(dat) zij vastpakten

Gebiedende wijs

Imperatief

pak vast

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

vastpakken

Gerundium

vastpakken

Onvoltooid deelwoord

vastpakkend

Voltooid deelwoord

vastgepakt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.