to catch, to hold
Tegenwoordige tijd (ik)pak vast
Verleden tijd (ik)pakte vast
Voltooid deelwoordvastgepakt
Volledige vervoeging van het werkwoord vastpakken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik pak vast
jij pakt vast (inversie: pak vast jij)
u pakt vast
hij/zij/het pakt vast
wij pakken vast
jullie pakken vast
zij pakken vast
Verleden tijd
ik pakte vast
jij pakte vast
u pakte vast
hij/zij/het pakte vast
wij pakten vast
jullie pakten vast
zij pakten vast
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik vastpak
(dat) jij vastpakt
(dat) u vastpakt
(dat) hij/zij/het vastpakt
(dat) wij vastpakken
(dat) jullie vastpakken
(dat) zij vastpakken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik vastpakte
(dat) jij vastpakte
(dat) u vastpakte
(dat) hij/zij/het vastpakte
(dat) wij vastpakten
(dat) jullie vastpakten
(dat) zij vastpakten
Gebiedende wijs
Imperatief
pak vast
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
vastpakken
Gerundium
vastpakken
Onvoltooid deelwoord
vastpakkend
Voltooid deelwoord
vastgepakt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.