Vervoeging van vastleggen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

vastleggen
to moor, to fasten, to tether
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)leg vast
Verleden tijd (ik)legde vast
Voltooid deelwoordvastgelegd
Volledige vervoeging van het werkwoord vastleggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik leg vast
jij legt vast (inversie: leg vast jij)
u legt vast
hij/zij/het legt vast
wij leggen vast
jullie leggen vast
zij leggen vast

Verleden tijd

ik legde vast
jij legde vast
u legde vast
hij/zij/het legde vast
wij legden vast
jullie legden vast
zij legden vast

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik vastleg
(dat) jij vastlegt
(dat) u vastlegt
(dat) hij/zij/het vastlegt
(dat) wij vastleggen
(dat) jullie vastleggen
(dat) zij vastleggen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik vastlegde
(dat) jij vastlegde
(dat) u vastlegde
(dat) hij/zij/het vastlegde
(dat) wij vastlegden
(dat) jullie vastlegden
(dat) zij vastlegden

Gebiedende wijs

Imperatief

leg vast

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

vastleggen

Gerundium

vastleggen

Onvoltooid deelwoord

vastleggend

Voltooid deelwoord

vastgelegd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.