to tie up
Tegenwoordige tijd (ik)bind vast
Verleden tijd (ik)bond vast
Voltooid deelwoordvastgebonden
Volledige vervoeging van het werkwoord vastbinden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik bind vast
jij bindt vast (inversie: bind vast jij)
u bindt vast
hij/zij/het bindt vast
wij binden vast
jullie binden vast
zij binden vast
Verleden tijd
ik bond vast
jij bond vast
u bond vast
hij/zij/het bond vast
wij bonden vast
jullie bonden vast
zij bonden vast
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik vastbind
(dat) jij vastbindt
(dat) u vastbindt
(dat) hij/zij/het vastbindt
(dat) wij vastbinden
(dat) jullie vastbinden
(dat) zij vastbinden
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik vastbond
(dat) jij vastbond
(dat) u vastbond
(dat) hij/zij/het vastbond
(dat) wij vastbonden
(dat) jullie vastbonden
(dat) zij vastbonden
Gebiedende wijs
Imperatief
bind vast
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
vastbinden
Gerundium
vastbinden
Onvoltooid deelwoord
vastbindend
Voltooid deelwoord
vastgebonden
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.