Vervoeging van uitzoomen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitzoomen
to zoom out
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)zoom uit
Verleden tijd (ik)zoomde uit
Voltooid deelwoorduitgezoomd
Volledige vervoeging van het werkwoord uitzoomen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik zoom uit
jij zoomt uit (inversie: zoom uit jij)
u zoomt uit
hij/zij/het zoomt uit
wij zoomen uit
jullie zoomen uit
zij zoomen uit

Verleden tijd

ik zoomde uit
jij zoomde uit
u zoomde uit
hij/zij/het zoomde uit
wij zoomden uit
jullie zoomden uit
zij zoomden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitzoom
(dat) jij uitzoomt
(dat) u uitzoomt
(dat) hij/zij/het uitzoomt
(dat) wij uitzoomen
(dat) jullie uitzoomen
(dat) zij uitzoomen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitzoomde
(dat) jij uitzoomde
(dat) u uitzoomde
(dat) hij/zij/het uitzoomde
(dat) wij uitzoomden
(dat) jullie uitzoomden
(dat) zij uitzoomden

Gebiedende wijs

Imperatief

zoom uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitzoomen

Gerundium

uitzoomen

Onvoltooid deelwoord

uitzoomend

Voltooid deelwoord

uitgezoomd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.