to broadcast (sow seeds over a wide area)
Tegenwoordige tijd (ik)zaai uit
Verleden tijd (ik)zaaide uit
Voltooid deelwoorduitgezaaid
Volledige vervoeging van het werkwoord uitzaaien: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik zaai uit
jij zaait uit (inversie: zaai uit jij)
u zaait uit
hij/zij/het zaait uit
wij zaaien uit
jullie zaaien uit
zij zaaien uit
Verleden tijd
ik zaaide uit
jij zaaide uit
u zaaide uit
hij/zij/het zaaide uit
wij zaaiden uit
jullie zaaiden uit
zij zaaiden uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uitzaai
(dat) jij uitzaait
(dat) u uitzaait
(dat) hij/zij/het uitzaait
(dat) wij uitzaaien
(dat) jullie uitzaaien
(dat) zij uitzaaien
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uitzaaide
(dat) jij uitzaaide
(dat) u uitzaaide
(dat) hij/zij/het uitzaaide
(dat) wij uitzaaiden
(dat) jullie uitzaaiden
(dat) zij uitzaaiden
Gebiedende wijs
Imperatief
zaai uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uitzaaien
Gerundium
uitzaaien
Onvoltooid deelwoord
uitzaaiend
Voltooid deelwoord
uitgezaaid
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.