Vervoeging van uitwissen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitwissen
to erase, expunge
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)wis uit
Verleden tijd (ik)wiste uit
Voltooid deelwoorduitgewist
Volledige vervoeging van het werkwoord uitwissen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik wis uit
jij wist uit (inversie: wis uit jij)
u wist uit
hij/zij/het wist uit
wij wissen uit
jullie wissen uit
zij wissen uit

Verleden tijd

ik wiste uit
jij wiste uit
u wiste uit
hij/zij/het wiste uit
wij wisten uit
jullie wisten uit
zij wisten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitwis
(dat) jij uitwist
(dat) u uitwist
(dat) hij/zij/het uitwist
(dat) wij uitwissen
(dat) jullie uitwissen
(dat) zij uitwissen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitwiste
(dat) jij uitwiste
(dat) u uitwiste
(dat) hij/zij/het uitwiste
(dat) wij uitwisten
(dat) jullie uitwisten
(dat) zij uitwisten

Gebiedende wijs

Imperatief

wis uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitwissen

Gerundium

uitwissen

Onvoltooid deelwoord

uitwissend

Voltooid deelwoord

uitgewist

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.