Vervoeging van uitwijzen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitwijzen
to point out, indicate
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)wijs uit
Verleden tijd (ik)wees uit
Voltooid deelwoorduitgewezen
Volledige vervoeging van het werkwoord uitwijzen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik wijs uit
jij wijst uit (inversie: wijs uit jij)
u wijst uit
hij/zij/het wijst uit
wij wijzen uit
jullie wijzen uit
zij wijzen uit

Verleden tijd

ik wees uit
jij wees uit
u wees uit
hij/zij/het wees uit
wij wezen uit
jullie wezen uit
zij wezen uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitwijs
(dat) jij uitwijst
(dat) u uitwijst
(dat) hij/zij/het uitwijst
(dat) wij uitwijzen
(dat) jullie uitwijzen
(dat) zij uitwijzen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitwees
(dat) jij uitwees
(dat) u uitwees
(dat) hij/zij/het uitwees
(dat) wij uitwezen
(dat) jullie uitwezen
(dat) zij uitwezen

Gebiedende wijs

Imperatief

wijs uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitwijzen

Gerundium

uitwijzen

Onvoltooid deelwoord

uitwijzend

Voltooid deelwoord

uitgewezen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.