Vervoeging van uitwijken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitwijken
to divert oneself
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)wijk uit
Verleden tijd (ik)week uit
Voltooid deelwoorduitgeweken
Volledige vervoeging van het werkwoord uitwijken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik wijk uit
jij wijkt uit (inversie: wijk uit jij)
u wijkt uit
hij/zij/het wijkt uit
wij wijken uit
jullie wijken uit
zij wijken uit

Verleden tijd

ik week uit
jij week uit
u week uit
hij/zij/het week uit
wij weken uit
jullie weken uit
zij weken uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitwijk
(dat) jij uitwijkt
(dat) u uitwijkt
(dat) hij/zij/het uitwijkt
(dat) wij uitwijken
(dat) jullie uitwijken
(dat) zij uitwijken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitweek
(dat) jij uitweek
(dat) u uitweek
(dat) hij/zij/het uitweek
(dat) wij uitweken
(dat) jullie uitweken
(dat) zij uitweken

Gebiedende wijs

Imperatief

wijk uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitwijken

Gerundium

uitwijken

Onvoltooid deelwoord

uitwijkend

Voltooid deelwoord

uitgeweken

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.