Vervoeging van uitwerken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitwerken
to effect, put in place
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)werk uit
Verleden tijd (ik)werkte uit
Voltooid deelwoorduitgewerkt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitwerken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik werk uit
jij werkt uit (inversie: werk uit jij)
u werkt uit
hij/zij/het werkt uit
wij werken uit
jullie werken uit
zij werken uit

Verleden tijd

ik werkte uit
jij werkte uit
u werkte uit
hij/zij/het werkte uit
wij werkten uit
jullie werkten uit
zij werkten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitwerk
(dat) jij uitwerkt
(dat) u uitwerkt
(dat) hij/zij/het uitwerkt
(dat) wij uitwerken
(dat) jullie uitwerken
(dat) zij uitwerken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitwerkte
(dat) jij uitwerkte
(dat) u uitwerkte
(dat) hij/zij/het uitwerkte
(dat) wij uitwerkten
(dat) jullie uitwerkten
(dat) zij uitwerkten

Gebiedende wijs

Imperatief

werk uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitwerken

Gerundium

uitwerken

Onvoltooid deelwoord

uitwerkend

Voltooid deelwoord

uitgewerkt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.