Vervoeging van uitwaaieren

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitwaaieren
to fan out, to spread out
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)waaier uit
Verleden tijd (ik)waaierde uit
Voltooid deelwoorduitgewaaierd
Volledige vervoeging van het werkwoord uitwaaieren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik waaier uit
jij waaiert uit (inversie: waaier uit jij)
u waaiert uit
hij/zij/het waaiert uit
wij waaieren uit
jullie waaieren uit
zij waaieren uit

Verleden tijd

ik waaierde uit
jij waaierde uit
u waaierde uit
hij/zij/het waaierde uit
wij waaierden uit
jullie waaierden uit
zij waaierden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitwaaier
(dat) jij uitwaaiert
(dat) u uitwaaiert
(dat) hij/zij/het uitwaaiert
(dat) wij uitwaaieren
(dat) jullie uitwaaieren
(dat) zij uitwaaieren

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitwaaierde
(dat) jij uitwaaierde
(dat) u uitwaaierde
(dat) hij/zij/het uitwaaierde
(dat) wij uitwaaierden
(dat) jullie uitwaaierden
(dat) zij uitwaaierden

Gebiedende wijs

Imperatief

waaier uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitwaaieren

Gerundium

uitwaaieren

Onvoltooid deelwoord

uitwaaierend

Voltooid deelwoord

uitgewaaierd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.