Vervoeging van uitwaaien

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitwaaien
to go out in windy weather, particularly into nature or a park, as a means of refreshing oneself and clearing one's mind
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)waai uit
Verleden tijd (ik)waaide uit
Voltooid deelwoorduitgewaaid
Volledige vervoeging van het werkwoord uitwaaien: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik waai uit
jij waait uit (inversie: waai uit jij)
u waait uit
hij/zij/het waait uit
wij waaien uit
jullie waaien uit
zij waaien uit

Verleden tijd

ik waaide uit
jij waaide uit
u waaide uit
hij/zij/het waaide uit
wij waaiden uit
jullie waaiden uit
zij waaiden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitwaai
(dat) jij uitwaait
(dat) u uitwaait
(dat) hij/zij/het uitwaait
(dat) wij uitwaaien
(dat) jullie uitwaaien
(dat) zij uitwaaien

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitwaaide
(dat) jij uitwaaide
(dat) u uitwaaide
(dat) hij/zij/het uitwaaide
(dat) wij uitwaaiden
(dat) jullie uitwaaiden
(dat) zij uitwaaiden

Gebiedende wijs

Imperatief

waai uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitwaaien

Gerundium

uitwaaien

Onvoltooid deelwoord

uitwaaiend

Voltooid deelwoord

uitgewaaid

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.