Vervoeging van uitvouwen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitvouwen
to spread out
separable strong weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)vouw uit
Verleden tijd (ik)vouwde uit
Voltooid deelwoorduitgevouwen
Volledige vervoeging van het werkwoord uitvouwen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik vouw uit
jij vouwt uit (inversie: vouw uit jij)
u vouwt uit
hij/zij/het vouwt uit
wij vouwen uit
jullie vouwen uit
zij vouwen uit

Verleden tijd

ik vouwde uit
jij vouwde uit
u vouwde uit
hij/zij/het vouwde uit
wij vouwden uit
jullie vouwden uit
zij vouwden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitvouw
(dat) jij uitvouwt
(dat) u uitvouwt
(dat) hij/zij/het uitvouwt
(dat) wij uitvouwen
(dat) jullie uitvouwen
(dat) zij uitvouwen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitvouwde
(dat) jij uitvouwde
(dat) u uitvouwde
(dat) hij/zij/het uitvouwde
(dat) wij uitvouwden
(dat) jullie uitvouwden
(dat) zij uitvouwden

Gebiedende wijs

Imperatief

vouw uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitvouwen

Gerundium

uitvouwen

Onvoltooid deelwoord

uitvouwend

Voltooid deelwoord

uitgevouwen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.