Vervoeging van uitvogelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitvogelen
to figure out
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)vogel uit
Verleden tijd (ik)vogelde uit
Voltooid deelwoorduitgevogeld
Volledige vervoeging van het werkwoord uitvogelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik vogel uit
jij vogelt uit (inversie: vogel uit jij)
u vogelt uit
hij/zij/het vogelt uit
wij vogelen uit
jullie vogelen uit
zij vogelen uit

Verleden tijd

ik vogelde uit
jij vogelde uit
u vogelde uit
hij/zij/het vogelde uit
wij vogelden uit
jullie vogelden uit
zij vogelden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitvogel
(dat) jij uitvogelt
(dat) u uitvogelt
(dat) hij/zij/het uitvogelt
(dat) wij uitvogelen
(dat) jullie uitvogelen
(dat) zij uitvogelen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitvogelde
(dat) jij uitvogelde
(dat) u uitvogelde
(dat) hij/zij/het uitvogelde
(dat) wij uitvogelden
(dat) jullie uitvogelden
(dat) zij uitvogelden

Gebiedende wijs

Imperatief

vogel uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitvogelen

Gerundium

uitvogelen

Onvoltooid deelwoord

uitvogelend

Voltooid deelwoord

uitgevogeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.