Vervoeging van uitvloeien

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitvloeien
to spread out, emanate
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)vloei uit
Verleden tijd (ik)vloeide uit
Voltooid deelwoorduitgevloeid
Volledige vervoeging van het werkwoord uitvloeien: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik vloei uit
jij vloeit uit (inversie: vloei uit jij)
u vloeit uit
hij/zij/het vloeit uit
wij vloeien uit
jullie vloeien uit
zij vloeien uit

Verleden tijd

ik vloeide uit
jij vloeide uit
u vloeide uit
hij/zij/het vloeide uit
wij vloeiden uit
jullie vloeiden uit
zij vloeiden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitvloei
(dat) jij uitvloeit
(dat) u uitvloeit
(dat) hij/zij/het uitvloeit
(dat) wij uitvloeien
(dat) jullie uitvloeien
(dat) zij uitvloeien

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitvloeide
(dat) jij uitvloeide
(dat) u uitvloeide
(dat) hij/zij/het uitvloeide
(dat) wij uitvloeiden
(dat) jullie uitvloeiden
(dat) zij uitvloeiden

Gebiedende wijs

Imperatief

vloei uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitvloeien

Gerundium

uitvloeien

Onvoltooid deelwoord

uitvloeiend

Voltooid deelwoord

uitgevloeid

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.