Vervoeging van uitvallen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitvallen
to fall out (such as hair)
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)val uit
Verleden tijd (ik)viel uit
Voltooid deelwoorduitgevallen
Volledige vervoeging van het werkwoord uitvallen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik val uit
jij valt uit (inversie: val uit jij)
u valt uit
hij/zij/het valt uit
wij vallen uit
jullie vallen uit
zij vallen uit

Verleden tijd

ik viel uit
jij viel uit
u viel uit
hij/zij/het viel uit
wij vielen uit
jullie vielen uit
zij vielen uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitval
(dat) jij uitvalt
(dat) u uitvalt
(dat) hij/zij/het uitvalt
(dat) wij uitvallen
(dat) jullie uitvallen
(dat) zij uitvallen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitviel
(dat) jij uitviel
(dat) u uitviel
(dat) hij/zij/het uitviel
(dat) wij uitvielen
(dat) jullie uitvielen
(dat) zij uitvielen

Gebiedende wijs

Imperatief

val uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitvallen

Gerundium

uitvallen

Onvoltooid deelwoord

uitvallend

Voltooid deelwoord

uitgevallen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.