Vervoeging van uitvaardigen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitvaardigen
to promulgate
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)vaardig uit
Verleden tijd (ik)vaardigde uit
Voltooid deelwoorduitgevaardigd
Volledige vervoeging van het werkwoord uitvaardigen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik vaardig uit
jij vaardigt uit (inversie: vaardig uit jij)
u vaardigt uit
hij/zij/het vaardigt uit
wij vaardigen uit
jullie vaardigen uit
zij vaardigen uit

Verleden tijd

ik vaardigde uit
jij vaardigde uit
u vaardigde uit
hij/zij/het vaardigde uit
wij vaardigden uit
jullie vaardigden uit
zij vaardigden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitvaardig
(dat) jij uitvaardigt
(dat) u uitvaardigt
(dat) hij/zij/het uitvaardigt
(dat) wij uitvaardigen
(dat) jullie uitvaardigen
(dat) zij uitvaardigen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitvaardigde
(dat) jij uitvaardigde
(dat) u uitvaardigde
(dat) hij/zij/het uitvaardigde
(dat) wij uitvaardigden
(dat) jullie uitvaardigden
(dat) zij uitvaardigden

Gebiedende wijs

Imperatief

vaardig uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitvaardigen

Gerundium

uitvaardigen

Onvoltooid deelwoord

uitvaardigend

Voltooid deelwoord

uitgevaardigd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.