Vervoeging van uitstellen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitstellen
to postpone, defer, delay
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)stel uit
Verleden tijd (ik)stelde uit
Voltooid deelwoorduitgesteld
Volledige vervoeging van het werkwoord uitstellen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik stel uit
jij stelt uit (inversie: stel uit jij)
u stelt uit
hij/zij/het stelt uit
wij stellen uit
jullie stellen uit
zij stellen uit

Verleden tijd

ik stelde uit
jij stelde uit
u stelde uit
hij/zij/het stelde uit
wij stelden uit
jullie stelden uit
zij stelden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitstel
(dat) jij uitstelt
(dat) u uitstelt
(dat) hij/zij/het uitstelt
(dat) wij uitstellen
(dat) jullie uitstellen
(dat) zij uitstellen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitstelde
(dat) jij uitstelde
(dat) u uitstelde
(dat) hij/zij/het uitstelde
(dat) wij uitstelden
(dat) jullie uitstelden
(dat) zij uitstelden

Gebiedende wijs

Imperatief

stel uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitstellen

Gerundium

uitstellen

Onvoltooid deelwoord

uitstellend

Voltooid deelwoord

uitgesteld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.