Vervoeging van uitspugen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitspugen
spit out
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)spuug uit
Verleden tijd (ik)spuugde uit
Voltooid deelwoorduitgespuugd
Volledige vervoeging van het werkwoord uitspugen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik spuug uit
jij spuugt uit (inversie: spuug uit jij)
u spuugt uit
hij/zij/het spuugt uit
wij spugen uit
jullie spugen uit
zij spugen uit

Verleden tijd

ik spuugde uit
jij spuugde uit
u spuugde uit
hij/zij/het spuugde uit
wij spuugden uit
jullie spuugden uit
zij spuugden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitspuug
(dat) jij uitspuugt
(dat) u uitspuugt
(dat) hij/zij/het uitspuugt
(dat) wij uitspugen
(dat) jullie uitspugen
(dat) zij uitspugen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitspuugde
(dat) jij uitspuugde
(dat) u uitspuugde
(dat) hij/zij/het uitspuugde
(dat) wij uitspuugden
(dat) jullie uitspuugden
(dat) zij uitspuugden

Gebiedende wijs

Imperatief

spuug uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitspugen

Gerundium

uitspugen

Onvoltooid deelwoord

uitspugend

Voltooid deelwoord

uitgespuugd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.