Vervoeging van uitspoelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitspoelen
to rinse out
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)spoel uit
Verleden tijd (ik)spoelde uit
Voltooid deelwoorduitgespoeld
Volledige vervoeging van het werkwoord uitspoelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik spoel uit
jij spoelt uit (inversie: spoel uit jij)
u spoelt uit
hij/zij/het spoelt uit
wij spoelen uit
jullie spoelen uit
zij spoelen uit

Verleden tijd

ik spoelde uit
jij spoelde uit
u spoelde uit
hij/zij/het spoelde uit
wij spoelden uit
jullie spoelden uit
zij spoelden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitspoel
(dat) jij uitspoelt
(dat) u uitspoelt
(dat) hij/zij/het uitspoelt
(dat) wij uitspoelen
(dat) jullie uitspoelen
(dat) zij uitspoelen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitspoelde
(dat) jij uitspoelde
(dat) u uitspoelde
(dat) hij/zij/het uitspoelde
(dat) wij uitspoelden
(dat) jullie uitspoelden
(dat) zij uitspoelden

Gebiedende wijs

Imperatief

spoel uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitspoelen

Gerundium

uitspoelen

Onvoltooid deelwoord

uitspoelend

Voltooid deelwoord

uitgespoeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.