to save (e.g. money); spare
Tegenwoordige tijd (ik)spaar uit
Verleden tijd (ik)spaarde uit
Voltooid deelwoorduitgespaard
Volledige vervoeging van het werkwoord uitsparen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik spaar uit
jij spaart uit (inversie: spaar uit jij)
u spaart uit
hij/zij/het spaart uit
wij sparen uit
jullie sparen uit
zij sparen uit
Verleden tijd
ik spaarde uit
jij spaarde uit
u spaarde uit
hij/zij/het spaarde uit
wij spaarden uit
jullie spaarden uit
zij spaarden uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uitspaar
(dat) jij uitspaart
(dat) u uitspaart
(dat) hij/zij/het uitspaart
(dat) wij uitsparen
(dat) jullie uitsparen
(dat) zij uitsparen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uitspaarde
(dat) jij uitspaarde
(dat) u uitspaarde
(dat) hij/zij/het uitspaarde
(dat) wij uitspaarden
(dat) jullie uitspaarden
(dat) zij uitspaarden
Gebiedende wijs
Imperatief
spaar uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uitsparen
Gerundium
uitsparen
Onvoltooid deelwoord
uitsparend
Voltooid deelwoord
uitgespaard
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.