Vervoeging van uitsparen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitsparen
to save (e.g. money); spare
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)spaar uit
Verleden tijd (ik)spaarde uit
Voltooid deelwoorduitgespaard
Volledige vervoeging van het werkwoord uitsparen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik spaar uit
jij spaart uit (inversie: spaar uit jij)
u spaart uit
hij/zij/het spaart uit
wij sparen uit
jullie sparen uit
zij sparen uit

Verleden tijd

ik spaarde uit
jij spaarde uit
u spaarde uit
hij/zij/het spaarde uit
wij spaarden uit
jullie spaarden uit
zij spaarden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitspaar
(dat) jij uitspaart
(dat) u uitspaart
(dat) hij/zij/het uitspaart
(dat) wij uitsparen
(dat) jullie uitsparen
(dat) zij uitsparen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitspaarde
(dat) jij uitspaarde
(dat) u uitspaarde
(dat) hij/zij/het uitspaarde
(dat) wij uitspaarden
(dat) jullie uitspaarden
(dat) zij uitspaarden

Gebiedende wijs

Imperatief

spaar uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitsparen

Gerundium

uitsparen

Onvoltooid deelwoord

uitsparend

Voltooid deelwoord

uitgespaard

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.