Vervoeging van uitscheiden

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitscheiden
to secrete
separable strong weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)scheid uit
Verleden tijd (ik)scheidde uit
Voltooid deelwoorduitgescheiden
Volledige vervoeging van het werkwoord uitscheiden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik scheid uit
jij scheidt uit (inversie: scheid uit jij)
u scheidt uit
hij/zij/het scheidt uit
wij scheiden uit
jullie scheiden uit
zij scheiden uit

Verleden tijd

ik scheidde uit
jij scheidde uit
u scheidde uit
hij/zij/het scheidde uit
wij scheidden uit
jullie scheidden uit
zij scheidden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitscheid
(dat) jij uitscheidt
(dat) u uitscheidt
(dat) hij/zij/het uitscheidt
(dat) wij uitscheiden
(dat) jullie uitscheiden
(dat) zij uitscheiden

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitscheidde
(dat) jij uitscheidde
(dat) u uitscheidde
(dat) hij/zij/het uitscheidde
(dat) wij uitscheidden
(dat) jullie uitscheidden
(dat) zij uitscheidden

Gebiedende wijs

Imperatief

scheid uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitscheiden

Gerundium

uitscheiden

Onvoltooid deelwoord

uitscheidend

Voltooid deelwoord

uitgescheiden

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.