Vervoeging van uitrusten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitrusten
to rest
Andere betekenissen: to equip
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)rust uit
Verleden tijd (ik)rustte uit
Voltooid deelwoorduitgerust
Volledige vervoeging van het werkwoord uitrusten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik rust uit
jij rust uit
u rust uit
hij/zij/het rust uit
wij rusten uit
jullie rusten uit
zij rusten uit

Verleden tijd

ik rustte uit
jij rustte uit
u rustte uit
hij/zij/het rustte uit
wij rustten uit
jullie rustten uit
zij rustten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitrust
(dat) jij uitrust
(dat) u uitrust
(dat) hij/zij/het uitrust
(dat) wij uitrusten
(dat) jullie uitrusten
(dat) zij uitrusten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitrustte
(dat) jij uitrustte
(dat) u uitrustte
(dat) hij/zij/het uitrustte
(dat) wij uitrustten
(dat) jullie uitrustten
(dat) zij uitrustten

Gebiedende wijs

Imperatief

rust uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitrusten

Gerundium

uitrusten

Onvoltooid deelwoord

uitrustend

Voltooid deelwoord

uitgerust

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.