Vervoeging van uitroepen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitroepen
to cry out
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)roep uit
Verleden tijd (ik)riep uit
Voltooid deelwoorduitgeroepen
Volledige vervoeging van het werkwoord uitroepen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik roep uit
jij roept uit (inversie: roep uit jij)
u roept uit
hij/zij/het roept uit
wij roepen uit
jullie roepen uit
zij roepen uit

Verleden tijd

ik riep uit
jij riep uit
u riep uit
hij/zij/het riep uit
wij riepen uit
jullie riepen uit
zij riepen uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitroep
(dat) jij uitroept
(dat) u uitroept
(dat) hij/zij/het uitroept
(dat) wij uitroepen
(dat) jullie uitroepen
(dat) zij uitroepen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitriep
(dat) jij uitriep
(dat) u uitriep
(dat) hij/zij/het uitriep
(dat) wij uitriepen
(dat) jullie uitriepen
(dat) zij uitriepen

Gebiedende wijs

Imperatief

roep uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitroepen

Gerundium

uitroepen

Onvoltooid deelwoord

uitroepend

Voltooid deelwoord

uitgeroepen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.