Vervoeging van uitreiken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitreiken
to hand out, to distribute, to issue
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)reik uit
Verleden tijd (ik)reikte uit
Voltooid deelwoorduitgereikt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitreiken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik reik uit
jij reikt uit (inversie: reik uit jij)
u reikt uit
hij/zij/het reikt uit
wij reiken uit
jullie reiken uit
zij reiken uit

Verleden tijd

ik reikte uit
jij reikte uit
u reikte uit
hij/zij/het reikte uit
wij reikten uit
jullie reikten uit
zij reikten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitreik
(dat) jij uitreikt
(dat) u uitreikt
(dat) hij/zij/het uitreikt
(dat) wij uitreiken
(dat) jullie uitreiken
(dat) zij uitreiken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitreikte
(dat) jij uitreikte
(dat) u uitreikte
(dat) hij/zij/het uitreikte
(dat) wij uitreikten
(dat) jullie uitreikten
(dat) zij uitreikten

Gebiedende wijs

Imperatief

reik uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitreiken

Gerundium

uitreiken

Onvoltooid deelwoord

uitreikend

Voltooid deelwoord

uitgereikt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.