Vervoeging van uitrazen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitrazen
to finish raging, to die down, subside
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)raas uit
Verleden tijd (ik)raasde uit
Voltooid deelwoorduitgeraasd
Volledige vervoeging van het werkwoord uitrazen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik raas uit
jij raast uit (inversie: raas uit jij)
u raast uit
hij/zij/het raast uit
wij razen uit
jullie razen uit
zij razen uit

Verleden tijd

ik raasde uit
jij raasde uit
u raasde uit
hij/zij/het raasde uit
wij raasden uit
jullie raasden uit
zij raasden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitraas
(dat) jij uitraast
(dat) u uitraast
(dat) hij/zij/het uitraast
(dat) wij uitrazen
(dat) jullie uitrazen
(dat) zij uitrazen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitraasde
(dat) jij uitraasde
(dat) u uitraasde
(dat) hij/zij/het uitraasde
(dat) wij uitraasden
(dat) jullie uitraasden
(dat) zij uitraasden

Gebiedende wijs

Imperatief

raas uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitrazen

Gerundium

uitrazen

Onvoltooid deelwoord

uitrazend

Voltooid deelwoord

uitgeraasd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.