to excrete (as excrement), to poop out
Tegenwoordige tijd (ik)poep uit
Verleden tijd (ik)poepte uit
Voltooid deelwoorduitgepoept
Volledige vervoeging van het werkwoord uitpoepen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik poep uit
jij poept uit (inversie: poep uit jij)
u poept uit
hij/zij/het poept uit
wij poepen uit
jullie poepen uit
zij poepen uit
Verleden tijd
ik poepte uit
jij poepte uit
u poepte uit
hij/zij/het poepte uit
wij poepten uit
jullie poepten uit
zij poepten uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uitpoep
(dat) jij uitpoept
(dat) u uitpoept
(dat) hij/zij/het uitpoept
(dat) wij uitpoepen
(dat) jullie uitpoepen
(dat) zij uitpoepen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uitpoepte
(dat) jij uitpoepte
(dat) u uitpoepte
(dat) hij/zij/het uitpoepte
(dat) wij uitpoepten
(dat) jullie uitpoepten
(dat) zij uitpoepten
Gebiedende wijs
Imperatief
poep uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uitpoepen
Gerundium
uitpoepen
Onvoltooid deelwoord
uitpoepend
Voltooid deelwoord
uitgepoept
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.