to investigate, to explore, to get to the bottom of
Tegenwoordige tijd (ik)pluis uit
Verleden tijd (ik)ploos uit
Voltooid deelwoorduitgeplozen
Volledige vervoeging van het werkwoord uitpluizen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik pluis uit
jij pluist uit (inversie: pluis uit jij)
u pluist uit
hij/zij/het pluist uit
wij pluizen uit
jullie pluizen uit
zij pluizen uit
Verleden tijd
ik ploos uit
jij ploos uit
u ploos uit
hij/zij/het ploos uit
wij plozen uit
jullie plozen uit
zij plozen uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uitpluis
(dat) jij uitpluist
(dat) u uitpluist
(dat) hij/zij/het uitpluist
(dat) wij uitpluizen
(dat) jullie uitpluizen
(dat) zij uitpluizen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uitploos
(dat) jij uitploos
(dat) u uitploos
(dat) hij/zij/het uitploos
(dat) wij uitplozen
(dat) jullie uitplozen
(dat) zij uitplozen
Gebiedende wijs
Imperatief
pluis uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uitpluizen
Gerundium
uitpluizen
Onvoltooid deelwoord
uitpluizend
Voltooid deelwoord
uitgeplozen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.