Vervoeging van uitpersen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitpersen
to squeeze out (a fruit etc.)
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)pers uit
Verleden tijd (ik)perste uit
Voltooid deelwoorduitgeperst
Volledige vervoeging van het werkwoord uitpersen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik pers uit
jij perst uit (inversie: pers uit jij)
u perst uit
hij/zij/het perst uit
wij persen uit
jullie persen uit
zij persen uit

Verleden tijd

ik perste uit
jij perste uit
u perste uit
hij/zij/het perste uit
wij persten uit
jullie persten uit
zij persten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitpers
(dat) jij uitperst
(dat) u uitperst
(dat) hij/zij/het uitperst
(dat) wij uitpersen
(dat) jullie uitpersen
(dat) zij uitpersen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitperste
(dat) jij uitperste
(dat) u uitperste
(dat) hij/zij/het uitperste
(dat) wij uitpersten
(dat) jullie uitpersten
(dat) zij uitpersten

Gebiedende wijs

Imperatief

pers uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitpersen

Gerundium

uitpersen

Onvoltooid deelwoord

uitpersend

Voltooid deelwoord

uitgeperst

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.