Vervoeging van uitpakken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitpakken
to unpack, to unload things from a package
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)pak uit
Verleden tijd (ik)pakte uit
Voltooid deelwoorduitgepakt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitpakken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik pak uit
jij pakt uit (inversie: pak uit jij)
u pakt uit
hij/zij/het pakt uit
wij pakken uit
jullie pakken uit
zij pakken uit

Verleden tijd

ik pakte uit
jij pakte uit
u pakte uit
hij/zij/het pakte uit
wij pakten uit
jullie pakten uit
zij pakten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitpak
(dat) jij uitpakt
(dat) u uitpakt
(dat) hij/zij/het uitpakt
(dat) wij uitpakken
(dat) jullie uitpakken
(dat) zij uitpakken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitpakte
(dat) jij uitpakte
(dat) u uitpakte
(dat) hij/zij/het uitpakte
(dat) wij uitpakten
(dat) jullie uitpakten
(dat) zij uitpakten

Gebiedende wijs

Imperatief

pak uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitpakken

Gerundium

uitpakken

Onvoltooid deelwoord

uitpakkend

Voltooid deelwoord

uitgepakt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.