Vervoeging van uitmaken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitmaken
to break up a relationship
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)maak uit
Verleden tijd (ik)maakte uit
Voltooid deelwoorduitgemaakt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitmaken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik maak uit
jij maakt uit (inversie: maak uit jij)
u maakt uit
hij/zij/het maakt uit
wij maken uit
jullie maken uit
zij maken uit

Verleden tijd

ik maakte uit
jij maakte uit
u maakte uit
hij/zij/het maakte uit
wij maakten uit
jullie maakten uit
zij maakten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitmaak
(dat) jij uitmaakt
(dat) u uitmaakt
(dat) hij/zij/het uitmaakt
(dat) wij uitmaken
(dat) jullie uitmaken
(dat) zij uitmaken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitmaakte
(dat) jij uitmaakte
(dat) u uitmaakte
(dat) hij/zij/het uitmaakte
(dat) wij uitmaakten
(dat) jullie uitmaakten
(dat) zij uitmaakten

Gebiedende wijs

Imperatief

maak uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitmaken

Gerundium

uitmaken

Onvoltooid deelwoord

uitmakend

Voltooid deelwoord

uitgemaakt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.