Vervoeging van uitlopen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitlopen
to walk out
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)loop uit
Verleden tijd (ik)liep uit
Voltooid deelwoorduitgelopen
Volledige vervoeging van het werkwoord uitlopen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik loop uit
jij loopt uit (inversie: loop uit jij)
u loopt uit
hij/zij/het loopt uit
wij lopen uit
jullie lopen uit
zij lopen uit

Verleden tijd

ik liep uit
jij liep uit
u liep uit
hij/zij/het liep uit
wij liepen uit
jullie liepen uit
zij liepen uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitloop
(dat) jij uitloopt
(dat) u uitloopt
(dat) hij/zij/het uitloopt
(dat) wij uitlopen
(dat) jullie uitlopen
(dat) zij uitlopen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitliep
(dat) jij uitliep
(dat) u uitliep
(dat) hij/zij/het uitliep
(dat) wij uitliepen
(dat) jullie uitliepen
(dat) zij uitliepen

Gebiedende wijs

Imperatief

loop uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitlopen

Gerundium

uitlopen

Onvoltooid deelwoord

uitlopend

Voltooid deelwoord

uitgelopen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.