Vervoeging van uitlokken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitlokken
to provoke
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)lok uit
Verleden tijd (ik)lokte uit
Voltooid deelwoorduitgelokt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitlokken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik lok uit
jij lokt uit (inversie: lok uit jij)
u lokt uit
hij/zij/het lokt uit
wij lokken uit
jullie lokken uit
zij lokken uit

Verleden tijd

ik lokte uit
jij lokte uit
u lokte uit
hij/zij/het lokte uit
wij lokten uit
jullie lokten uit
zij lokten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitlok
(dat) jij uitlokt
(dat) u uitlokt
(dat) hij/zij/het uitlokt
(dat) wij uitlokken
(dat) jullie uitlokken
(dat) zij uitlokken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitlokte
(dat) jij uitlokte
(dat) u uitlokte
(dat) hij/zij/het uitlokte
(dat) wij uitlokten
(dat) jullie uitlokten
(dat) zij uitlokten

Gebiedende wijs

Imperatief

lok uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitlokken

Gerundium

uitlokken

Onvoltooid deelwoord

uitlokkend

Voltooid deelwoord

uitgelokt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.