Vervoeging van uitlezen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitlezen
to read through, to read completely to the end
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)lees uit
Verleden tijd (ik)las uit
Voltooid deelwoorduitgelezen
Volledige vervoeging van het werkwoord uitlezen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik lees uit
jij leest uit (inversie: lees uit jij)
u leest uit
hij/zij/het leest uit
wij lezen uit
jullie lezen uit
zij lezen uit

Verleden tijd

ik las uit
jij las uit
u las uit
hij/zij/het las uit
wij lazen uit
jullie lazen uit
zij lazen uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitlees
(dat) jij uitleest
(dat) u uitleest
(dat) hij/zij/het uitleest
(dat) wij uitlezen
(dat) jullie uitlezen
(dat) zij uitlezen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitlas
(dat) jij uitlas
(dat) u uitlas
(dat) hij/zij/het uitlas
(dat) wij uitlazen
(dat) jullie uitlazen
(dat) zij uitlazen

Gebiedende wijs

Imperatief

lees uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitlezen

Gerundium

uitlezen

Onvoltooid deelwoord

uitlezend

Voltooid deelwoord

uitgelezen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.