Vervoeging van uitlenen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitlenen
to lend out
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)leen uit
Verleden tijd (ik)leende uit
Voltooid deelwoorduitgeleend
Volledige vervoeging van het werkwoord uitlenen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik leen uit
jij leent uit (inversie: leen uit jij)
u leent uit
hij/zij/het leent uit
wij lenen uit
jullie lenen uit
zij lenen uit

Verleden tijd

ik leende uit
jij leende uit
u leende uit
hij/zij/het leende uit
wij leenden uit
jullie leenden uit
zij leenden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitleen
(dat) jij uitleent
(dat) u uitleent
(dat) hij/zij/het uitleent
(dat) wij uitlenen
(dat) jullie uitlenen
(dat) zij uitlenen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitleende
(dat) jij uitleende
(dat) u uitleende
(dat) hij/zij/het uitleende
(dat) wij uitleenden
(dat) jullie uitleenden
(dat) zij uitleenden

Gebiedende wijs

Imperatief

leen uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitlenen

Gerundium

uitlenen

Onvoltooid deelwoord

uitlenend

Voltooid deelwoord

uitgeleend

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.